dinsdag 1 augustus 2017

Spendanalyse? Dit kan toch niet waar zijn?!





Gisteren was niet zo'n fijne dag. Hebben we allemaal wel eens. Bestuurders ook. Ik roep ook altijd dat sommige dingen in het werk gewoon corvee zijn. Net als vroeger met de afwas op de camping, snel en deskundig afhandelen en weer leuke dingen gaan doen. Heb je er het minste last van.

Gisteren had ik een corvee dag. Helemaal niet erg, ik begon er met opgewekt gemoed aan. Gelukkig is wat de een corvee vindt, voor de ander de topklus van de week. Wat mijn corvee is? De jaarverslaglegging van de stichting. Ik wil heel graag dat het klopt, vind het ook essentieel dat alles duidelijk is want het gaat tenslotte om maatschappelijk geld. Maar leuk vind ik het niet en dat gaat ook nooit gebeuren. Ik heb het liever over wat we met dat geld kunnen doen voor kinderen en leerkrachten. Maar dat kan dan weer als de jaarverslaglegging op orde is. Kortom, niet mauwen maar poetsen.

Er zijn namelijk mensen die het gereedmaken van de jaarstukken als een topklus ervaren. De accountant bijvoorbeeld, die met twee man sterk aan het einde van de middag mijn kantoor binnenwandelden. Strak in het pak, maar vermoeid. Want het was erg druk op kantoor door alle controle-protocollen en uitval van mensen. Na wat obligate opmerkingen over de grote foto met kind aan mijn muur (nee, niet mijn kind, wel een artistieke foto gemaakt door een afgestudeerde pabo-student die ook Minerva deed) kwam het hoge woord eruit. De jaarstukken waren nog niet af. En dat is zelfs als je het een topklus vindt, niet waar je blij van wordt.

Ze zagen er ook niet blij uit, deze accountants. Want een van de zaken die niet in orde was, waren vier facturen die niet door de spendanalyse waren gekomen. Spendanalyse? Ja, een analyse van waar de stichting haar geld aan uitgeeft. Dus naast de interne dubbele check op de digitale facturering met crediteurencheck door een derde persoon en het vierogen principe bij de fiattering van de betalingen, gaan we extern nog meer controleren? Ja, klopt. Hoe gaat dat in het werk? Dat betekent dat we random facturen gaan trekken uit de database. En dan vragen we diegene die de factuur geboekt heeft aan te tonen dat de uitgave ook werkelijk heeft plaatsgevonden.

Je denkt misschien, dan check je dat toch even? Nou, er komt bijvoorbeeld een factuur uit de steekproef van een aangeschaft whiteboard. Dan is het dus de bedoeling dat er een foto gemaakt wordt van het whiteboard op de school waarvoor het is aangeschaft. En als bewijslast naar de accountant worden geupload. Bij deze mijn upload, ik heb er vanochtend maar wat tekstuele reflectie aan toegevoegd. Gratis, er is dus geen factuur van deze dienstverlening van mij aan de accountant die in de volgende spendanalyse zou kunnen opduiken.

Mijn verstand stond bij de vasthoudendheid van de accountant over de noodzaak van deze verantwoording even stil. Ik dacht namelijk nog steeds dat de kern van de bestuurlijke verantwoording ging over WAT er op de borden stond. Geven we wel goed onderwijs? Illusie armer. De tweede factuur ging over de inzet van de interim manager financien die uiteraard bij dit gesprek aanwezig was. Verleende deze functionaris wel echt dienstverlening aan de stichting op het gebied van financien? Dit was het moment dat ik eigenlijk een foto wilde maken van het gezelschap aan tafel. Een foto van de interimmer financien naast de accountants tegenover mij. Als bewijs dat er feitelijk dienstverlening plaatsvond. Op mijn kamer, van de stichting. De verdediging van de accountant mbt deze in mijn ogen bizarre onderzoeksvraag was: hieruit blijkt wel dat de spendanalyse ad random gebeurt.

Voor de nadere toelichting over hoe vreselijk het huidige controleprotocol in elkaar zit heb
 ik bedankt. Toen ik hoorde dat het beeld van de accountants is dat het zo erg geworden is, omdat wij als bestuurders landelijk geen tegengas geven heb ik zelfs niet gezegd dat ik dit externe attributie vond. Ik heb wel beloofd dat ik er een blog over zou schrijven. Zonder naam en toenaam, maar om mijn verbijstering weer van me af te kunnen schudden.

Dit kan toch niet waar zijn? Waar zijn we in beland? Volgens mij wordt het tijd voor het toevoegen van een paar nieuwe woorden aan het vocabulaire voor onderwijsbesturen. Zoals 'verantwoordingswaanzin' en 'managementillusie'.

Gelukkig mag ik vandaag weer aan de slag met relevante en inspirerende zaken.


woensdag 12 juli 2017

Niet zo welkom

In de stad waar ik werk, staan heel veel scholen. In iedere wijk meerdere, zodat er wat te kiezen valt voor ouders. We hebben de scholen gevraagd samen te werken, in plaats van de tent uit te vechten in de slag om de leerling. Of omdat je je eigen school beter vindt dan die van een ander. Misschien past de ene school wel beter bij je, dan de ander. Dat mag en moet ook.

Basisscholen bestaan van overheidsgeld. Zo bedacht en ingericht omdat het naar school gaan voor alle kinderen belangrijk is. Mensen die in het onderwijs werken, zijn zich dus bewust van dat ze hun werk doen voor alle kinderen en in dienst van de maatschappij. Dacht ik.

Niet dus. Ergens in de stad staan twee scholen, gebouwd in de vorige eeuw. De kinderen krijgen les in verschillende lokalen en gebouwen, het is een paar lokalen hier en een paar lokalen daar. En een plein ertussen. Te gebruiken door twee scholen en schoolbesturen. De ene keer zijn er wat meer kinderen van de ene en dan een paar jaar later weer van de andere school. Vestzak, broekzak - want allemaal maatschappelijk geld, zou je denken.

Niets is minder waar. Sinds een paar jaar mogen de kinderen van de ene school, op last van het bestuur van de andere school, niet meer over het schoolplein van de andere school lopen. Ook niet als het de kortste of de veiligste route is. Het beleid is op schrift gesteld en aan onze school medegedeeld. Voorbeelden van de gebruikte argumenten: 'deze kinderen vallen niet onder ons bevoegd gezag. Wij zijn juridisch eigenaar van het plein. Wij mogen bepalen wie er over ons plein loopt'.

Het blijkt mogelijk om met het juridisch gezag heel selectief om te gaan. De postbode mag er wel over heen lopen. De logopediste en de mensen uit het wijkteam wordt geen strobreed in de weg gelegd als ze de school willen bezoeken. Iemand uit de buurt die op het bankje een krantje wil lezen? Van harte welkom!

De kinderen van onze school echter niet. Ook niet onder begeleiding van hun leerkracht. Zo werd zelfs een leerkracht door een naar buiten rennende collega-juf een halt toe geroepen. Het feit dat dit op dat moment de veiligste weg was naar de andere school, omdat de weg die om de school loopt opengebroken was ivm het vervangen van de gasleidingen, deed niet ter zake.

Om het eigenaarschap en de machtsverhoudingen nog wat duidelijker te markeren, doet de leidinggevende van de rennende juf er sinds die tijd nog een schepje bovenop. Hij laat dagelijks de kinderen van zijn school voor de ramen van de klaslokalen van de buren spelen. Het is immers zijn plein! En pauze is pauze, ook als de andere kinderen net geconcentreerd met rekenen bezig zijn. Tikkertje krijgt zo een heel nieuwe betekenis.

Navraag bij de gemeente leverde de informatie op, dat de juridische verhoudingen inderdaad zo zijn. Wie het plein heeft, bepaalt. En dus ook wie er welkom is. Jammer dan. Ook als het onveilige toestanden of rare situaties oplevert die je niet uit kunt leggen aan een kind of ouder. 'Regels zijn regels'. Aan die uitspraak heb ik een pesthekel. Omdat ie bijna altijd gebruikt wordt voor dingen die te krankzinnig zijn voor woorden.

Je bent kind en niet welkom. Voor sommige van deze kinderen is dat niet de eerste keer en dus ook niet de laatste keer in hun leven. Wat we er aan gaan doen? Niet zoveel. Ik kreeg over deze situatie het goedbedoelde advies een hek te laten plaatsen, zodat de kinderen in ieder geval op hun eigen plein kunnen spelen en kunnen doorwerken als de andere school pauze heeft. Wat een treurnis. Ik schaam me. Ook plaatsvervangend. Er komt geen hek, natuurlijk. Wel een hartgrondig pleidooi voor normale bestuurlijke verhoudingen in het belang van kinderen. Sommige kinderen komen nu eenmaal met de denkbeeldige ooievaar, en sommige met een boot. Die laatste groep kondigt zich niet 9 maanden ervoor al aan. Laten we gewoon ons werk gaan doen.




woensdag 12 april 2017

#back to school: Wake-up call



Wake-up call

Soms krijg je die, over je gezondheid of over hoe je je werk doet. Die van mij kwam van een van onze directeuren. Over dat we weliswaar mooi aan de dag timmeren met onze ambitie voor het onderwijs, maar dat in de scholen en groepen de werkelijkheid gewoon doorgaat. En dat leerkrachten daar graag iets over willen vertellen. Aan mij, bijvoorbeeld.

Het geluid over afstand tussen bestuur en werkvloer ken ik maar al te goed. Ooit begon ik zelf als docent en vond dat het bestuur geen recht deed aan jonge leerkrachten die de tent draaiende hielden. In al mijn jeugdige overmoed schreef ik een brief, maakte bezwaar tegen de ingezette koers. Of het indruk maakte? Denk het niet. Wel op mij overigens, anders had ik mijn eigen actie na bijna 25 jaar niet meer geweten.

Met de weer wakker geworden rebellie van toen gooide ik mijn agenda leeg en ging op bezoek bij de Julianaschool. Met tot mijn opluchting geen speciaal voor mij in elkaar gezet programma, maar de mogelijkheid aan te schuiven en mee te doen. Kennis te nemen van wat er al gaande was. Een les Engels met de kleuters, ontdekkend leren in de bovenbouw en een gesprek met de IB-er. Anoniem luistervink in de hal zijn, zittend op een bankje horen welke vragen ouders bij binnenkomst stellen. En aan wie. En ondertussen natuurlijk ook een foto maken van wat de school deelt met ouders over onderwijs. In een vitrine met werk van kinderen trof ik bovenstaande boodschap: talenten kunnen ontwikkelen.

Met twee op zichzelf simpele vragen kwam ik die ochtend door. Wat wil je met me delen waar je blij van wordt? Of: waar baal je zo erg van dat ik het echt moet weten. Aan de tweede vraag kwam ik niet eens toe. Wel was het erg duidelijk waar mensen blij van werden. Van ruimte om zelf stappen te mogen zetten. Er kwam geen duur extern advies of begeleiding aan te pas om tot keuzes te komen voor ontdekkend leren. Bevlogen leerkrachten met een visie die tegen hun directeur en collega's zeggen; die kant willen we uit! Het iXperium betrekken om tot nieuwe expertise te komen.

En dan gewoon gaan doen. Stap voor stap, maar zeker ook niet te bang. Toewijding, kreeg ik vandaag te zien. Van de leerkracht in de onderbouw, die het aandurfde om te onderzoeken of het kon, Engels en kleuters. En of zij dat kon. Mooi om te zien. Een groep kleuters die zichtbaar trots was op wat ze kunnen, maar vooral ook heel veel plezier in de les hebben ondertussen. Uitgedaagd worden om nieuwe dingen te leren. En dat dan voor alle kinderen en collega's.

Inspiratie kreeg ik van de leerkracht in de bovenbouw, die vertelde hoe ze vanuit een eigen visie op leren samen met een collega de discussie met hun team, directeur en ouders aangezwengeld had. Een nieuwe frisse visie, waar kinderen zichtbaar warm voor lopen omdat ze zelf regie over hun leerproces nemen. Met spannende opdrachten, waar de nieuwsgierigheid geprikkeld wordt om verder te gaan dan het boekje. Ook voor de leerkrachten, die zich zonder uitzondering enthousiast uitlieten over de ingezette koers.

Doortastendheid kreeg ik als toetje van de IB-er, die overzicht op het geheel had en heel goed kon verwoorden waar het team stond in het proces. Met wel een paar vragen over hoe er nog meer geïnvesteerd kon worden in bijvoorbeeld nieuwe manieren om leerlingen ook te kunnen volgen in hun ontwikkeling. En hoe een team daar zelf keuzes in kan maken, als we budget slim aanwenden. Fijn om daar een paar mogelijkheden in uit te kunnen wisselen. Wat een energie zat er in dit team. Een kado voor leerlingen, maar ook voor mij als bezoeker.

Wat als we allemaal gewoon zelf aan de slag gingen? Onszelf de vraag stellen waar we warm voor lopen en dat morgen onderzoeken op praktische mogelijkheden? Een wake-up call. Wat is jouw persoonlijke visie op leren? Als je het antwoord op de vraag wat er voor jou persoonlijk toe doet even niet meer weet. Of als mensen waarmee of waarvoor je werkt, niet precies weten waar jij voor staat. Of denken dat je hen niet in beeld heb. Gewoon doen, naar die school toe en in die groepen kijken. Om te zien wat zij iedere dag 'gewoon doen'. Met hart en ziel en veel lerend vermogen. Trots op deze school en leerkrachten. #hiergraagmeervan







woensdag 25 mei 2016

Wat heeft een kind nodig?

Wat heeft een kind nodig? Ouders, minimaal één in ieder geval. Bij voorkeur een gezin waar genoeg van nature op te pikken valt. Op het gebied van taal en over hoe je goed met elkaar omgaat. Als er speelgoed en boeken in huis zijn, is er nog meer kans dat het met de start van een kind goed komt. En helemaal als de ouders ervoor kunnen zorgen dat het kind vanzelf wat kennis van de wereld opdoet. Wist je dat de ouderlijke setting voor 40% bepalend is voor de kansen van een kind? Ik verzin het niet, daar is onderzoek over.

Veel mensen in mijn omgeving staan er niet bij stil dat zo'n start niet vanzelfsprekend is voor veel kinderen. Ze plakken dan hun witte, hoogopgeleide eigen plaatje van hun jeugd over dat van het kind heen. Begrijpelijk ook wel. Ik deed dat ongemerkt ook. Tot ik eens op huisbezoek ging. Om me te realiseren dat daar echt geen speelgoed was. Helemaal niks, want spelen was gevaarlijk. En soms ook een woonkamer met alleen een matras. In Nederland. Overdrijf ik? Nee, helaas niet.

Wat hebben een peuter en kleuter verder nog nodig? Een goede (voor)school, die uitdaagt om te ontwikkelen. Eentje die nauw samenwerkt met mensen die weten hoe je een peuter van 3 kunt helpen om spelenderwijs meer woorden te leren. Omdat ze dat thuis niet kunnen. En omdat deze mensen weten dat een kind voor het 7e levensjaar zijn moedertaal leert. Daarna moet het als een tweede taal worden aangeleerd, wat nooit zo 'vanzelf' gaat als je moedertaal. Deze mensen kunnen kleuters ook  kennis laten maken met speelgoed en met samen leren spelen. Als peuters en kleuters in deze fase begeleid worden door de juiste mensen, stijgen hun kansen alweer. Want een goede (voor)school draagt 40% bij aan de ontwikkeling van kinderen.

Maakt het ook nog uit hoeveel tijd die deskundige begeleiders van peuters, kleuters en schoolkinderen krijgen om dit te doen? Ja, dat maakt ongelooflijk veel uit. Onderzoekers weten gewoon dat het voor deze peuter niet helpt als hij 4 uur per week naar de peuterspeelzaal gaat. Wel om 4 uur per week een blije tijd te hebben. Ook belangrijk. Maar niet voor zijn structurele ontwikkeling. Voor zijn ontwikkeling heeft deze peuter eigenlijk ook niet de 16 uur per week nodig, die er nu in Arnhem voor hem is en straks via het 'ontwikkelrecht' voor alle kinderen komt. Die 16 uur die iedere peuter krijgt op voorschoolse opvang is politiek gezien een prachtig resultaat en een echte verbetering. Maar helaas niet genoeg, dat moeten namelijk 32 uur zijn om de peuter met een achterstand een kans te geven die in te kunnen lopen. We mogen aannemen dat het voor kleuters niet echt anders is.


Wie meegeteld heeft, weet dat we met bovenstaande optelsom wat betreft de invloed op kinderen (40% ouders, 40% voor-school) nog niet op 100% zitten. Dat klopt. Een kind heeft namelijk ook nog voor meer dan 20% een overige omgeving, die meetelt in zijn kansberekening. Laat dit nu voor de peuter en kleuter uit mijn voorbeeld niet altijd een positieve invloed betekenen. In die overige omgeving treft hij bijvoorbeeld mensen aan die het niet gelukt is een goede toekomst op te bouwen. Of hij woont in een wijk waar het niet altijd veilig is.

Vanwege deze optelsom, is het voor sommige kinderen essentieel dat er naast de thuissituatie (impact max 40%) massa gemaakt wordt in positieve ontwikkeluren. Daarmee bedoel ik, veel tijd dat het kind in een positieve, stimulerende en veilige omgeving is. Een beetje bot gezegd, zodat het opweegt tegen de slechte start of een thuissituatie waarin niet gewerkt wordt aan ontwikkeling, maar deze soms onbedoeld wordt afgebroken.

Een kleuter heeft behoefte aan, naast de  gemiddeld 20 uren per week naar school, extra tijd in die positieve omgeving. Minstens 12 uren naschoolse tijd, liefst geconcentreerd en begeleid door een groep vaste en deskundige mensen die samen werken en er voor dit kind ook nog een fijne tijd van maken. Samen met school maakt dat 32 uur gestapelde ontwikkeling. Niet alleen voor iets schools als taal of rekenen, hoor. Maar voor kennis van de wereld en het verrijken van de persoonlijke ontwikkeling. Omdat ze thuis niet op vakantie gaan, of de wijk uit kunnen komen en geen inspirerende rolmodellen tegen komen. Dit is ook het beeld voor het kind in de bovenbouw terecht komt. Het heeft dan behoefte aan een school met een daarop aansluitende verlengde schooldag, aangevuld met naschoolse schakelklassen en een weekendschool. Dat veroorzaakt massa in uren en continuïteit in de begeleiding van kinderen. Die daarmee een kans hebben op een goede toekomst. Het verschil tussen veel minder dan 40 of 60% kans, of meer.

Het nare is, dat als je het aanbod voor deze kinderen fragmentarisch aanpakt of met minder gestapelde uren dus massa, je welzijn krijgt in plaats van ontwikkeling. Bijvoorbeeld door het aanbieden van creatieve cursussen vergroot je het welzijn van het kind gedurende een aantal uren per week. Maar je verbetert niet structureel zijn ontwikkeling, daarvoor is er ook een andere doelmatige aanpak (die best in combinatie met creativiteit kan) nodig. Het gaat dus niet alleen om structureel meer tijd, maar ook nog om in die tijd de goede dingen in samenhang doen.

Hoe zorgen we dat de optelsom voor deze kinderen tussen de 60 en 80% komt te liggen? Dat heet Onderwijs Achterstanden Beleid (OAB). Er zijn mensen die goed zijn in het uitrekenen wat dit beleid allemaal kost. Een gedegen OAB-beleid is er in Arnhem al jaren en het heeft ook effect. Het kost natuurlijk ook geld (dat overigens grotendeels van de landelijke overheid komt) en stedelijke coördinatie van kennis en aanpak. Je moet het daarom op de stedelijke agenda willen hebben en houden. En is een kind, zijn 3000 kinderen in Arnhem dit waard? Tel daar hun ouders bij op en de mensen die op dit terrein in de stad werken. En de mensen waarmee deze kinderen later mee in aanraking komen. Wat zijn die mensen waard? Hoeveel geld en inspanning mag dat kosten?

Er is een stedelijk netwerk is dat al 30 jaar bestaat, waarop we qua kennis en expertise kunnen bouwen. Door budgetten te koppelen en het steeds meer als integraal programma aan te vliegen, kunnen we heel veel bereiken. Zonder dat het teveel kost, of meer dan in andere steden met vergelijkbare problematiek. Het Arnhemse programma wordt landelijk geroemd, half Nederland komt kijken naar hoe het met jonge kinderen en onderwijsachterstanden gaat. De stevige stedelijke samenwerking, maakt dat scholen de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van deze peuters en kleuters kunnen nemen.

Misschien overtuigt het bovenstaande de lezer niet dat we door moeten gaan op de ingeslagen weg. Want er zijn veranderingen op komst in de stedelijke samenwerking tussen gemeente, schoolbesturen en andere organisaties. Er moet bezuinigd en het programma moet misschien per wijk wel anders. Wijkteams gaan de taak van de huidige professionals in onderwijs en kinderopvang, namelijk het signaleren van achterstanden en het inzetten van een programma, overnemen. Waarschijnlijk wordt voorschoolse educatie en het aanbod straks via een aanbesteding ingekocht. Wat schiet een kind hier mee op? Hoe zorgen we dat zijn optelsom van 32 uur ontwikkeltijd blijft kloppen? Ik krijg er dezelfde buikpijn van als toen het ging over de marktwerking in de zorg. Arme peuter en kleuter, die niks gevraagd wordt.

Afgelopen zondag,  22 mei, zat ik in de zaal bij de diplomering van de weekendschool (www.leukomteleren.nl). De weekendschool valt onder het OAB beleid voor schoolgaande kinderen in groep 7,8 en de eerste klas van het VO. Ruim 40 kinderen uit een onderwijsachterstandswijk kregen een diploma omdat ze al 1, 2, of 3 jaar op zondag een verrijkingsprogramma volgen. Doenja, die inmiddels in het voortgezet onderwijs zit, werd door de presentatrice van de diplomering naar voren geroepen. In een zaal met meer dan 100 ouders, sponsoren, vrijwilligers stond ze letterlijk in de spotlights. Doenja wist van te voren niet dat haar op deze manier gevraagd zou worden wat de weekendschool voor haar had betekend. Even bekroop mij de kriebel dat deze spontane vraag, in deze publieke setting, wel heel veel druk op het meisje moest veroorzaken. Maar nee, Doenja gaf zonder aarzelen antwoord. Vanuit haar hart. Ze zei: 'Ik heb ervaringen opgedaan en dingen meegemaakt die ik anders nooit had kunnen beleven'. 'Tegen alle kinderen zeg ik: maak je drie jaren weekendschool af, je krijgt er geen spijt van want je leven wordt er echt heel anders van'. Als ze geweten had dat er binnenkort in de gemeenteraad besloten zou kunnen worden dat de weekendschool of de verlengde schooldag misschien ook maar moesten veranderen, had ze vast tegen de aanwezige burgemeester van Arnhem gezegd: doe het niet, zorg dat dit blijft!

Doenja sprak vanuit haar hart en ik doe dat via deze weg ook. Het is lastig om achterstanden stedelijk aan te sturen in combinatie met alle andere veranderingen. Het is meer dan moeilijk om daar in tijden van krapte de middelen en de tijd en het geld voor te vinden. Toch moeten we samen verder, juist vanwege de complexiteit. En er moet dus op worden gestuurd en bestuurd en niet mee worden gesjoemeld. In het belang van wat een kind nodig heeft. Daarom deze keer deze blog. Met vanuit het hart: dit verdient de hoogste plek op de stedelijke agenda. Niet doorschuiven naar de wijkteams, of aanbesteden. Verder op deze weg met alle betrokkenen en met alle opgebouwde kennis. In een gecoördineerde en gezamenlijke aanpak. Van peuter tot jongere in het VO. Minder heeft geen zin.

donderdag 18 februari 2016

#back to school: Een missie van 3000 woorden


Daar zat ik dan, met dit spel voor mijn neus. Aan een tafel met nog vier moeders. En in het lokaal zaten er verder zeker nog 12, van allerlei nationaliteiten. Maar wel allemaal met hetzelfde doel. Het steunen van hun kind in zijn of haar ontwikkeling. In het bijzonder de ontwikkeling van taal. Want woorden kennen en kunnen gebruiken is essentieel in onze samenleving. Na een korte en enthousiaste uitleg gingen alle groepen aan de slag, ook die waar ik in zat. Er moest in dit spel met een dobbelsteen gegooid worden en woorden worden weggestreept. Ik bakte er natuurlijk niks van, want ik vond het gesprek aan tafel veel te interessant om geconcentreerd met het spel bezig te zijn.

Er was niet veel voor nodig om van de moeders los te krijgen waarom ze in deze groep zaten. In mijn hoofd zitten dan allerlei aangeleerde rationalisaties over het belang van betrokkenheid van ouders. Maar de antwoorden van de moeders kwamen uit hun hart. Veel mooier! 'Mijn zoon is zo trots op mij. Dat ik ook naar school ga en Nederlandse woorden leer. Net als hij'. En een andere moeder vertelde hoe moeilijk ze het vond om de Nederlandse woorden te leren. En dat ze het nog steeds niet goed kon. Maar moeder gebruikte ondertussen wel het woord 'woordenschat'. Kom daar maar eens om in een willekeurige supermarkt.

Een woordenschat van 3000 woorden om precies te zijn, want dan kent een kind in ieder geval genoeg worden om zich op school verder te kunnen ontwikkelen. Dat heet Basiswoordenschat. Een mooi Nederlands woord, waaruit blijkt dat er goed over na is gedacht. Want deze moeders kregen allemaal, net als ik het spel mee naar huis. Om het thuis te kunnen spelen met hun kinderen. Die dat dus ook leuk vinden en daar heel blij mee zijn. Daar kan toch geen definitie van ouderbetrokkenheid tegen op?

Later die ochtend, nadat ik veel groepen kinderen aan het werk had gezien, begreep ik nog beter waarom het lokaal met die ouders zo vol zat. En waarom die kinderen zo blij zijn met de materialen die mee naar huis komen. In alle groepen zag ik kinderen met het puntje van de tong tussen de lippen aan het werk. Of het nou de kinderen in de kleutergroep waren die roodkapje aan het tekenen waren en mij graag uit wilden leggen waarom de wolf in hun werkje zo groot was. Of de kinderen in de bovenbouw, die zelfstandig met hun weektaak aan de gang waren. De kinderen in de kring, die mochten vertellen welke gereedschappen er in de meegebrachte gereedschapskist zaten. En ook de kinderen die net instructie van hun juf kregen over de hectometer. Allemaal bewust en enthousiast bezig met leren.

De klapper van dit bezoek zat voor mij in het slot. Een afrondend gesprek met de leiding van de Annie MG Schmidtschool en OLV Lourdesschool waar ik dit meemaakte. 'Ja, Manon. We zijn eerst nogal druk met sommige ouders mee te nemen in het idee dat kinderen mogen spelen, vies worden en dat er niet direct ongelukken gebeuren als je dat toestaat. Dat ze geen helm ophoeven op het plein. In best veel gezinnen is geen enkel speelgoed in huis. Zo'n meegenomen spel dat jij vanochtend hebt gezien, is hier dus echt nodig'. BENG! dan komt toch even heel hard bij me binnen welke opdracht scholen als deze hebben. En hoe knap het is dat alle kinderen en ouders die ik gezien heb bezig zijn van en met elkaar te leren. Mooi, om weer even door deze beide teams en directie op aarde te zijn gezet. Onder de indruk van de vrolijke en positieve sfeer in de gangen en in de groepen. Het kan niet anders, of daar wordt dagelijks intensief door de teams aan gewerkt. Op naar het volgende schoolbezoek!

zondag 6 december 2015

De Witte Vlinder

Het kan wettelijk eigenlijk nog niet, maar we gaan het wel doen. In het belang van ieder kind in de wijk Geitenkamp in Arnhem verleggen we de grenzen. We gaan twee schoolteams vragen of ze dat met ons aandurven. Of ze net als wij denken dat het beter is voor ieder kind in deze wijk.



Tussen de sinterklaasperikelen door praten Sylvia Veltmaat van Fluvius en ik met twee MR-en, van de Vlindertuin en De Witte School. En de voltallige teams van leerkrachten en ondersteuners en hun directeur. We hebben een intentieverklaring bij ons, waar in staat dat het de bedoeling is dat met ingang van het nieuwe schooljaar De Vlindertuin gaat verhuizen naar het gebouw van De Witte School. Twee scholen, die één willen worden. Maar dan wel stapsgewijs en in samenwerking met andere partners in de wijk. Daar voorziet de wet niet in. De betrokken kinderen hebben er echt geen boodschap aan, aan wat er allemaal nog komt en geregeld moet worden. Die willen gewoon weten hoe de nieuwe school heet en begrijpen ook niet dat het formeel niet direct één nieuwe school is. Laat staan een Integraal Kindcentrum. Veel te moeilijk. Zo wordt de werktitel voorlopig De Witte Vlinder.





We praten met elkaar over waarom we dit willen doen. Het lijkt heel simpel, maar er komt echt ongelofelijk veel kijken bij het laten fuseren van een openbare en een interconfessionele school. Je moet het dus heel graag willen, anders begin je er echt niet aan. We proeven dat de meeste mensen wel oren hebben naar ons plan, maar dat het ook best wel spannend is. Het is een pittige vraag voor een MR, om je rol goed in te nemen. Wij zelf kunnen als bestuurders ook niet terugvallen op veel voorbeelden van andere scholen. In elk geval niet in Arnhem. Gelukkig kunnen we het plan de komende maanden verder uitwerken voordat we definitief beslissen. Als we de samenwerking tussen deze twee scholen goed op de rails hebben gezet, dan gaan we onze kinderopvangpartner bij het proces betrekken. Ook hun inbreng is van belang in een kindcentrum.


Waarom al die moeite? Omdat we de kinderen in de Geitenkamp samen meer kunnen bieden. In een school van 200 leerlingen, hoef je niet voortdurend in een combiklas te zitten. Zo is er voor deze kinderen meer structuur en veiligheid. Die zijn een randvoorwaarde om tot ontwikkeling te kunnen komen, zeker als je als vierjarige soms met een stevige achterstand in je woordenschat of sociaal-emotionele ontwikkeling naar school gaat. En ook als die achterstand er niet is, heb je als kind recht op een plek waar jij je talent in alle opzichten kunt ontwikkelen. Daarom willen we heel graag, vanaf dat kinderen toe zijn aan het spelen met andere kinderen, kunnen volgen hoe het met de ontwikkeling van alle kinderen gaat. Want leren vindt ook net zo goed plaats als je speelt.


Onze droom is dat het spelen en leren verbonden raakt, doordat een team van leidsters en leerkrachten met elkaar samen werkt aan ontwikkeling. En dus ook samen plannen maakt over hoe je dat kunt bereiken. In een omgeving waar ook andere mensen die kunnen helpen bij het spelen, leren, begeleiden en verzorgen van kinderen werken. Een integraal kindcentrum, voor kinderen van 0-13 en hun ouders. In de Geitenkamp lijkt het erop dat de wil er is deze droom waar te gaan maken
Dus gaan we ervoor, ook al is het wettelijk ingewikkeld. Met bijvoorbeeld twee BRINs, twee keer toezicht, apart voor kinderopvang en school de inspectie op bezoek, verschillende CAO's voor de mensen in het team. En ga zo maar door.


Als ik later op de avond thuiskom, lees ik een mail waaruit ik opmaak dat juist vandaag een motie aangenomen is in de tweede kamer. Een motie die het straks wettelijk mogelijk maakt dat het IKC er komt, zonder dergelijk onnodig gedoe. Dat wil zeggen, na de fusie van de scholen, wordt samengaan met de kinderopvang veel makkelijker. Toeval bestaat niet, we hebben een echte doorbraak vandaag!


We gaan het gewoon samen doen, voor ieder kind in de Geitenkamp.

donderdag 1 oktober 2015

#back to school: Dit is de deur

Gisteren was ik even op bezoek op de POL in Arnhem. POL staat voor voor Proces Opvang Locatie. En gek genoeg hebben we het dan over mensen. Mensen die een proces doorlopen. Een proces met betrekking tot de intake in hun asielprocedure. Die procedure moet in principe binnen zes tot acht weken doorlopen zijn. In de Nederlandse wet is geregeld dat ook tijdens deze procedure kinderen binnen een aantal dagen ook onderwijs moeten krijgen. Op de POL is dus ook een onderbouwgroep en een bovenbouwgroep waar kinderen in instromen.

Toen ik binnen kwam werd ik eerst streng toegesproken door de man van de receptie van het COA. Ik had niet zomaar de school binnen mogen lopen, maar eerst langs zijn kantoor gemoeten. Natuurlijk had hij gelijk, maar ik was nog even niet gewend aan deze wereld. Ik moest mijn paspoort laten zien en ik kreeg een pasje. Hij vertelde me dat er momenteel 300 mensen in de COA/POL aanwezig zijn. En met een grote sticker BEZOEKER op mijn blouse ging ik op pad.

Het gebouw oogde sober, zoals dat in onze maatschappijvisie past, denk ik. Wandelend door de gangen kwamen beelden binnen. Banken met daarop jonge mannen, die zichtbaar verveeld de dag proberen door te komen. Zou dit wel goed gaan als we 300 Nederlandse jonge mannen zo huisvesten, vroeg ik me af? Maar goed, daar mogen andere mensen zich over buigen. We waren immers op weg naar de kinderen in deze POL. Via wat gangen kwamen we in een van de twee klaslokalen, tegelijk met een aantal jonge kinderen. Ze stonden te trappelen op de gang, volgens de leerkracht typerend voor de momenteel vooral Syrische kinderen, ze willen erg graag naar school.

Maar hoe geef je les aan kinderen die net in Nederland zijn aangekomen en geregistreerd? Die de taal niet spreken en soms ook ernstig getraumatiseerd zijn.  Gelukkig zijn er mensen die daar raad mee weten en ook hun hart en ziel in leggen. Die met mensen in Ter Apel gaan praten over wat zij daar al weten over wat werkt qua onderwijs. En zo maken deze toppers van leerkrachten op de POL in Arnhem dan samen een plan. Een plan waarin onder andere staat hoe je kinderen de eerste 203 Nederlandse woorden aanbiedt. En hoe je bewaakt dat ieder individueel kind tot ontwikkeling komt.

Educatie als sleutel en als wapen in de strijd voor zelfredzaamheid en een beter leven. Ik vind het een ochtend van hartverwarmend en hartverscheurend bij elkaar. Als juf niet weten of het kind in je groep er de volgende dag weer zal zijn. Omdat gezinnen 's avonds soms horen dat ze naar een volgende plek moeten. Of dat er de volgende dag een touringcar aankomt met 20 kinderen, die erbij komen in de groepen. Kinderen die niet voor 1 uur 's nachts kunnen slapen, omdat er zoveel mensen tegelijk in de stapelbedden liggen op de kamers. Daar kwam ik achter toen ik vroeg waarom een van die kleine ventjes zo ontzettend zat te gapen.

Het antwoord op de door mij gestelde vraag, hoe doe je dat als leerkracht? Gewoon bij het begin beginnen. Stapje voor stapje.  Een deur is een deur. En zo leren kinderen de nederlandse taal en worden (meer) zelfredzaam. Om zo om te leren gaan met wat er in de wirwar van onze  samenleving op hen afkomt. Deuren zijn dicht en soms gaan ze open. Wat heb ik een respect voor het werk van deze leerkrachten.